Liefdesoverpeinzingen
februari 2001
Het
schijnt dat Petrarca zijn beroemde liefdessonnetten schreef terwijl hij continu
omringd werd door zijn zeven schreeuwende, huilende en kruipende kinderen en
zijn veeleisende hoogzwangere vrouw.
Rosa!
Dat is papa’s Glacé, neem die van je moeder maar!
Het
is een wonder dat hij in die omstandigheden zulke prachtige gedichten kon
schrijven. Ik wou dat ik wist hoe hij dat deed, want ik heb op dit moment de
grootste moeite om een fatsoenlijke overpeinzing te schrijven.
Rosa, mijn enige dochtertje, heeft namelijk net leren kruipen, ze kan ook al een
beetje staan, en terwijl ik probeer te typen, is zij de kamer weer eens aan het
verkennen.
Nee
Rosa! Dat is de gids van DEZE week!
Maar
goed, ik zal toch maar een poging wagen om jullie iets te vertellen over mijn
eigen eerste stapjes op het liefdespad.
Toen
ik een jaar of 7 was, zag ik op een mooie dag in mei twee jongens met een fantastisch apparaat spelen. Het was een radiografisch
bestuurbare racewagen, ik denk een rode ferrari of een lamborgini (ik wist toen
nog niet precies hoe je dat schreef). Wat was dat ding mooi. Hij glom tegen je
op, leek wel zo groot als een echte racewagen en als hij door de straat
scheurde, fietsers en brommers inhalend, brulde zijn motor de hele stad bij
elkaar.
Zit
je nou alwéér op mijn sok te sabbelen? Dat is zwaar gif, schatje, geef maar
snel terug.
Als
klein jochie van 7 keek ik met open mond naar die twee grote gozers die ongeveer
tien keer zo oud waren als ik, ergens tussen de 15 en 16 jaar dus, en vroeg mij
verbaasd af: “Op die leeftijd hoor je toch achter de meiden aan te
zitten???”
Kjh498
*(&(*j khfvd
fl;kuuuu uuuuuuuujf)(*&lkjhU iiiHVB5 xxxxxxx=-0xc
Rosa!
Niet aan papa’s toetsenbord komen als hij aan het typen is, lieverd!
Misschien komt het omdat ik een nakomertje ben en mijn broers minstens tien jaar ouder zijn dan ik, maar al van jongs af aan heb ik het als een natuurwet, als een grondbeginsel van het universum beschouwd dat elke zichzelf respecterende jongeman zo veel, zo vaak, en zo lang mogelijk achter de meiden aan hoort te zitten. Mijn broers hadden het er zo vaak over, dat dit voor mij als een paal boven water stond.
Goh,
wat kan Rosa al stevig staan! Maar kom nu maar van papa’s laptop af….
Alle jongens die veel boeken lazen, met computers konden toveren of brommers konden opvoeren, vond ik eigenlijk maar losers, omdat ze hun tijd verdeden met onbelangrijke zaken. De wereld draaide ten slotte maar om één ding.
Rosa!
Papa’s gitaar is geen drumstel! Niet met je rammelaar erop rammen!
Ik
was een mezelf respecterende jongeman en ging dus met borst vooruit, schouders
breed, kin omhoog en met ferme pas de stad in, achter de meiden aan. En daar
liep ik door de stad, rondje na rondje. Achter de meiden aan. Door de zachte
lentelucht achter de meiden aan, in de hete zomerzon achter de meiden aan. Ik
trotseerde de herfsthagel en het winterweer jaar na jaar. Ik kon er geen genoeg van krijgen. Ik kon niet wachten tot de schoolbel
ging, zodat ik weer achter de meiden aan kon. Alleen als ik achter de meiden aan
zat voelde ik me een complete man. Honderden, duizenden rondjes heb ik door de
stad gelopen. Achter de meiden aan.
Rosa!
Wat heb je in je mond? Nee! NEEE! Toch niet papa’s zeldzame magic-kaartjes hè?
Daar heb ik toch dat pakkie pokemonnetjes voor gekocht?!
Ik heb nog meer respect gekregen voor Petrarca dan ik al had. Ik geef het op. Als ik van tevoren geweten had dat ik op mijn eenendertigste nog steeds als een gek de hele dag achter een meisje aan moest rennen, was ik op mijn vijftiende lekker met autootjes gaan spelen!
Maurice Weel
Op naar de volgende overpeinzing
Terug naar de vorige overpeinzing










